Uitgelicht bericht

Kennis-overdracht vertrouwen

Het kennis-overdracht vertrouwen, “epistemic trust ” is een sociale vaardigheid die je leert in je kindertijd.  Het ontwikkelen van dit vertrouwen is een proces waarin ouders hun kinderen leren in te schatten bij wie ze hun natuurlijke waakzaamheid op het gebied van kennisoverdracht kunnen laten varen, en bij wie ze dat beter niet kunnen doen.

Een belangrijk onderdeel van de inschatting is waar te nemen hoe iemand werkelijk tegenover je staat en welke belangen er in het geding zijn. De inschatting is van waarde omdat voor een groot deel van de kennis geldt dat  het ondoenlijk of zelf onmogelijk is om zelf te onderzoeken in hoeverre de overgedragen kennis te vertrouwen is.

De verwevenheid van het kunnen vertrouwen van iemand en het gebruik maken van zijn kennis, maakt ook iets anders zichtbaar. Het is van belang dat kinderen in staat zijn om zich ontvankelijk, (leerbaar) op te stellen om er vervolgens waardering voor te krijgen. Het roept het  beeld op dat hij/zij de moeite waard is om kennis aan over te dragen

Ontologische verlatenheid

Het ontstaan van ontologische verlatenheid op een micro-niveau zien we in het toneelstuk De harige aap van Eugene O’Neill. Het verhaal gaat over Yank, een stoker op een luxe-passagiersschip. Hoewel Yank binnen het milieu van het schip het laagste menselijke schepsel is, heeft hij vertrouwen in de wereld en zichzelf. Het schip zou niet kunnen varen zonder hem – en daarom is hij beter en belangrijker dan ieder ander. Hij gaat ervan uit dat deze visie voor de hand ligt, en dat iedereen hem deelt.

                Zijn zielerust wordt wreed verstoord door een idealistische rijkeluisdochter, die besloten heeft dat ze wil weten hoe de stokers leven, maar op het moment dat ze Yank daadwerkelijk tegenkomt schrikt van zijn verschijning en noemt hem een ‘harige aap’. Yank was erin geslaagd zich noodzakelijk voor het systeem te voelen, en daarmee superieur aan de andere onderdelen. De kortdurende opwelling van idealisme van deze jongedame zorgt ervoor dat hij voor het eerst echt voelt hoezeer er op hem neergekeken wordt. Yank stort in, en ontspoort. Hij komt in aanraking met gewelddadig anarchisme, en met de misdaad. Uiteindelijk zorgt het verlies van zijn ontologische geborgenheid ervoor dat hij ook zijn menselijkheid verliest. Hij eindigt zijn bestaan als een aap te midden van andere apen in de dierentuin.[1]


[1] Eugene O’Neill, The Hairy Ape and Other Plays, Jonathan Cape, London 1923.

M & M Experiment

In een bekend experiment (Gopnik en Astington, 1998) kregen kinderen van drie tot zes jaar oud een langwerpig zakje M & M’s te zien, waarna hun werd gevraagd wat ze dachten dat erin zat. Allemaal antwoorden ze ‘M & M’s’, en vermoedelijk werden ze allemaal teleurgesteld toen ze te zien kregen dat er een alleen maar een potlood in het zakje zat.

Toen hun even later werd gevraagd werd wat voor een antwoord een vriendje of vriendinnetje bij het zien van het zakje M&M’s zou geven, reageerden de meesten, alsof dat volkomen voor de hand lag, met: ‘ Een potlood’. Nog opmerkelijker was dat kinderen, toen hun gevraagd werd zich te herinneren wat er volgens hen in het M & M’s zakje had gezeten toen ze voor het eerst te zien kregen, bijna allemaal als antwoord gaven: ‘een potlood’.

Wat deze test aantoont is dat jonge kinderen zich niet kunnen voorstellen dat hun vriendje een ander perspectief heeft dan zij, en evenmin dat hun eigen perspectief gewijzigd zou kunnen zijn.

Intrinsieke motivatie en extrinsieke motivatie.

Binnen de zelfdeterminatie-theorie wordt een onderscheid gemaakt tussen Intrinsieke motivatie en extrinsieke motivatie, (Deci & Ryan 2000). Intrinsieke motivatie wordt hierbij opgevat als de motivatie die vanuit het individu zelf komt, het is verweven met het zelf. In plaats van intrinsieke motivatie wordt soms ook gesproken over zelf-motivatie. Als een persoon intrinsiek gemotiveerd is, ligt het initiatief en de regulatie van het gedrag in de persoon zelf. De persoon doet iets omdat hij of zij dit graag wil, omdat het bevredigend is, of omdat de persoon onderkent dat een bepaalde activiteit in het belang is van zijn zelfontwikkeling.

Intrinsieke motivatie wordt dan ook wel opgevat als de inherente tendens om te zoeken naar nieuwigheid en uitdagingen, je eigen capaciteiten te ontwikkelen en uit te oefenen, te verkennen en te leren. Intrinsieke motivatie wordt vaak gezien als essentieel voor de cognitieve en sociale ontwikkeling van mensen, en is een belangrijke bron voor genot en vitaliteit tijdens de levensloop. Bij intrinsieke motivatie is er altijd sprake van een vorm van vrijwilligheid en persoonlijke ondersteuning van activiteiten. Er is dan sprake van een interne locus of causality (deCharms, 1968). Dat wil zeggen dat bij deze vorm van motivatie mensen de perceptie hebben dat de oorzaak van hun gedrag in henzelf is te vinden, ofwel niet van buitenaf wordt bepaald/opgelegd.

Naast intrinsieke motivatie is er ook extrinsieke motivatie. Deze vorm van motivatie ontstaat door een bepaalde druk of een opdracht van buitenaf. Hierbij kan worden gedacht aan sociale druk om bepaalde activiteiten te ontplooien die een persoon niet zelf ondersteund, of die niet overeenstemming met zijn met de persoonlijke doelen en identiteit. Bij extrinsieke motivatie wordt een activiteit uitgevoerd om een bepaalde uitkomst te bereiken, vaak om een bepaalde beloning te verkrijgen of een bestraffing te voorkomen.

Het conformeren aan formele regels en wetten kan worden beschouwd als extrinsieke motivatie. Maar extrinsieke motivatie kan ook op een wat meer subtiele manier plaats­vinden, bijvoorbeeld om schuldgevoelens of schaamte te voorkomen. Bij extrinsieke motivatie is er kortom sprake van een externe locus of causality. De persoon heeft dan de impressie dat de oorzaak van zijn gedrag niet in zichzelf is te vinden, maar van buitenaf wordt opgelegd (Deci& Ryan, 2000).

De zelfdeterminatie-theorie toont aan dat wanneer gedrag is gebaseerd op een sterke intrinsieke motivatie, dit zal leiden tot meer inzet, doorzettingsvermogen, interesse en opwinding bij het uitvoeren van activiteiten. Opgelegde doelen en externe druk kunnen de intrinsieke motivatie voor activiteiten ondermijnen. Hierbij verschuift de motivatie van een persoon naar een externe locus of causality. Een persoon voelt zich dan minder gemotiveerd voor een bepaalde activiteit. In plaats daarvan voelt een persoon zich nu gecontroleerd door externe factoren, en dit leidt tot een verlies van waardering en interesse in de activiteit “an sich”. Voor een optimale motivatie voor activiteiten is een bepaalde zelfdeterminatie van gedrag dus erg van belang.

Patroonherkenning dalmatiër.

Zoek de dalmatiër: Ergens in dit plaatje zit een dalmatiër verborgen. Als je even zoekt kun je hem vast wel vinden, en als je hem eenmaal hebt gevonden kun je hem niet meer uit het plaatje wegdenken.

Neem het volgende eens in overweging: staat die dalmatiër er eigenlijk wel of heb je hem alleen maar gezien omdat je op zoek was naar de hond in het plaatje?  Staat er een dalmatiër op dit plaatje? Als je goed zoekt, kun je hem vast wel vinden. De hersenen zijn namelijk erg goed in het vinden van betekenisvolle patronen.

De hersenen hebben een enorm vermogen tot patroonherkenning. Ze gaan soms zelfs zo ver in het vinden van betekenisvolle patronen in een chaotisch geheel, dat mensen op allerlei plekken dingen gaan zien die er eigenlijk niet zijn. Een voorbeeld daarvan is wel erg frappant: het zogenaamde gezicht op Mars. De wereld stond op zijn kop toen wetenschappers een heuvel op Mars vonden die leek op een menselijk gezicht. Was er dan toch een beschaving op Mars geweest? Het antwoord is nee: het was het vermogen en behoefte tot patroonherkenning dat ons parten speelde.

Liever trots dan zielig, denkt de vos

Er was eens een vos die enorme honger had. Hij kwam langs een prieel en zag daar in de hoogte lekkere druiven hangen, ‘helemaal rijp, zo leek het, donkerpaars van kleur’. Hij wilde er graag van eten, maar hij kon er niet bij. De muur was veel te hoog. Het kostte hem moeite om dat toe te geven, want hij was een trotse vos die zich graag voordeed als een edele sinjeur. Kon zo’n edele sinjeur tegen zichzelf zeggen dat hij honger had, maar niet bij de druiven kon? ‘En dus bedroog hij / zijn eigen maag en zei: „Ze zijn mij veel te groen / en zuur, dit is geen deftig vosseneten.”’ Zo hield hij zijn eigenwaarde in stand. En zijn honger.

Het verhaaltje komt uit de nieuwe vertaling van de Fabels van Jean de La Fontaine (1621-1695). Je zou bij zo’n fabel een moraal verwachten, maar die ontbreekt. Wat moeten we denken van een trotse vos die zijn neus ophaalt voor waar hij in werkelijkheid helemaal niet bij kan? Het slot van het gedicht is verrassend: ‘In elk geval was dat nog beter / dan dat hij zielig was gaan doen.’

Jean de La Fontaine: Fabels. Vert. Marietje d’Hane-Scheltema en geïllustreerd door Floris Tilanus. Van Oorschot

Autobiografisch geheugen, “My worst sins”

In het boek “Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt” stelt auteur Douwe Draaisma zichzelf de vraag: “Waarom hebben we een krankzinnig goed geheugen voor vernederingen?”. “My worst sins” hebben een vernederende werking.

Op zoek naar een antwoord komt hij uit bij psycholoog Willem Wagenaar. Wagenaar heeft een studie gemaakt van zijn dagboek en de werking van zijn geheugen. Daartoe maakte hij een  analyse van de gebeurtenissen uit het dagboek door deze in categorieën onder te verdelen. Hij maakte de categorie:  “zeer onaangename gebeurtenissen waarvan ik zelf de oorzaak was, My worst sins.”

Van de 1605 gebeurtenissen waarover hij gedurende vier jaar notities had bijgehouden waren er elf die in deze categorie vielen. Wagenaar geeft het voorbeeld van de keer dat hij op hoge toon een mevrouw aansprak die voor zijn huis parkeerde. Het bleek een invalide vrouw te zijn, in het bezit van een speciale vergunning, op bezoek bij de buren.

Van alle type herinneringen, bleken de  herinneringen uit deze categorie het makkelijkst op te roepen. Dit ging zelfs beter dan de zeer onaangename herinneringen waarvan hijzelf niet de oorzaak was. Waar Wagenaar in het algemeen de neiging had onaangename herinneringen sneller te vergeten dan aangename, bleken de werkelijk héél onaangename herinneringen heel zorgvuldig geregistreerd te zijn.

Wagenaar vermoedt dat scherpe herinneringen aan dergelijke gebeurtenissen een rol spelen in het bijstellen van het zelfbeeld. Daartoe slaat ons geheugen juist de uitzonderingen, de voorvallen die het moeilijkst met ons zelfbeeld in overeenstemming zijn te brengen, zo goed op.  Deze herinneringen zorgen er voor dat ons zelfbeeld niet te ver van de werkelijkheid komt te staan.

In dit opzicht hebben ‘worst sins’ een heimelijke productiviteit die ze gemeen hebben met vernederingen. Vernederingen hebben soms een uitwerking die de opslag als het ware garandeert. Tevens kunnen ‘worst sins’ en vernederingen meer doen dan het zelfbeeld bijwerken. Soms geven ze een beslissende wending aan het leven en worden ze met gepaste eerbied bijgezet in het geheugen.

Oorspronkelijke bron “W.A. Wagenaar, ‘Remembering my worst sins: how autobiographical  memory serves the updating of the conceptual self”

Kinderen ondeugend door streng straffen

Als ouders vaak streng straffen, worden hun kinderen opstandig, ongehoorzaam en agressief – maar gek genoeg schamen die kinderen zich ook bovengemiddeld veel. Hoe kan dat, als ze zo duidelijk niet de normen van hun ouders overnemen?

Het komt onder meer, laten psychologen zien, doordat dingen die niet mogen zo sterk in je hoofd blijven hangen (Journal of Personality and Social Psychology). Als je tegen iemand zegt ‘je mag niet aan een witte beer denken’, moet diegene automatisch aan een witte beer denken. Doordat kinderen die iets niet mogen van hun ouders steeds aan het verbod moeten denken, concluderen ze al dan niet bewust ‘dan moet ik het wel heel graag willen’.

En het voortdurend moeten onderdrukken van gedachten aan iets wat niet mag, leidt tot gevoelens van schaamte. Het kost bovendien veel mentale energie, waardoor kinderen van strenge ouders waarschijnlijk sneller aan (immorele) verleidingen bezwijken.

bron NRC, 3 mei 2013

Bladzijde 83

Zoals menig vader, Prediker of Jesaja citeert, zo citeerde mijn vader literatuurcriticus Kees Fens. Het „Fens zegt” lag hem in de mond bestorven…. (…).

„Fens zegt dat Thea Beckman niet goed is!”

Dat was een zware slag, die mij misschien nog iets harder trof dan de anderen. In Het rad van Fortuin, een boek dat zich tijdens de bloedige Honderdjarige Oorlog afspeelt, stond een zin die ik al weken lang met ingehouden adem over las. ‘Blz 83’ had ik zelfs in ragdunne lettertjes op het schutblad geschreven.

De ongeletterde houwdegen Bertrand du Guesclin, legeraanvoerder van de Fransen, spreekt zijn bewondering uit als zijn jonge vriend Matthis Cuvelier, een verlegen dichter die geen bloed kan zien, hem in de gevangenis komt opzoeken. „‚Alleen om te weten hoe het met me ging ben je het kamp binnengekomen? Drommels, daar was moed voor nodig’, zegt Bertrand. De mannen glimlachen tegen elkaar. Beiden weten ze dat Matthis’ moed niet een kwestie is van sterke armen, doodsverachting en dierlijke bloeddorst, maar het voortdurend overwinnen van de angsten uit zijn kinderjaren.”

Thea Beckman, de schrijfster, zette beide soorten moed, het overwinnen van het Engelse leger en het overwinnen van verlegenheid, op eenzelfde lijn.Nicolien Mizee

Een versie van dit artikel verscheen op dinsdag 28 juli 2015 in NRC Handelsblad.

Diep in ons zelf

Door Václav Havel

Diep in ons zelf dragen wij de hoop.
Is ze niet daar, dan is ze nergens.

Hoop is een bewustzijn
en staat of valt niet met wat er in de wereld gebeurt.

Hopen is voorspellen noch voorzien.
Hoop zit ons in de ziel, in het hart gegrift,
ligt voor anker voorbij de horizon.

Hopen,
in deze diepe en krachtige betekenis,
is anders dan blij zijn om wat goed gaat
of je graag inzetten voor wat zeker succes heeft.

Hoop is de kunst om ergens aan te werken omdat het goed is,
niet alleen omdat het kans van slagen heeft.

Hoop is niet optimisme,
niet de overtuiging dat iets goed zal aflopen.
Hopen is zeker weten dat iets zinvol is,
ongeacht de afloop.