Cognitieve dissonantie

Leon Festinger (1919-1989) onderzocht cognitieve dissonantie.  Het gaat hier om twee of meer ideeën of overtuigingen, die iemand over een bepaald onderwerp heeft. Deze ideeën zijn met elkaar in conflict. Als iemand zich bewust wordt van het conflict, dan ervaart diegene een oncomfortabele staat van cognitieve dissonantie en is hij gemotiveerd om dat gevoel te verminderen. Een alternatief idee, ook al is het onjuist, kan ervoor zorgen dat dissonantie minder wordt, wanneer het ook door anderen aangenomen wordt.

Een van de meest bekende experimenten waar in cognitieve dissonantie onderzocht wordt, is het één dollar experiment. Deelnemers moeten eerst in één uur twee extreem saaie taken uitvoeren. Vervolgens wordt er aan de deelnemers gevraagd om de “volgende deelnemer” – die eigenlijk verbonden is met de onderzoekers kort volgens een script (waarin het werk als extreem interessant of leuk beschreven werd) te vertellen over wat zij tijdens de taak hadden moeten doen. Sommige proefpersonen kregen één dollar voor het uitvoeren van dit script, terwijl andere proefpersonen twintig dollar kregen.

Uiteindelijk moesten alle deelnemers hun oordeel over hoe zij dit vertellen aan de volgende proefpersoon hadden ervaren. De resultaten waren dat de deelnemers die alleen maar één dollar gekregen hadden, deze taak positiever beoordeelden dan diegenen die twintig dollar gekregen hadden. De reden was dat de deelnemers in de één-dollar-conditie signiicant meer cognitieve dissonantie ervoeren, omdat zij een valse positieve rapportage over de ervaring gegeven hebben, terwijl het eigenlijk een vervelende taak is voor zo weinig geld. De twintig-dollar deelnemers hadden meer geld gekregen, waardoor ze hun gedrag makkelijker konden rechtvaardigen zonder met een alternatieve verklaring te hoeven komen.

De één-dollar deelnemers moesten hun cognitieve dissonantie verminderen door hun echte mening over de ervaring aan te passen.